|
Interieurarchitect
Nel Verschuuren wil geen ster zijn
'Een interieur moet functioneel zijn'
Ze is onder meer
bekend van het spraakmakende Interpolis-project, dat een geheel nieuwe
manier van werken in ons land introduceerde. Interieurarchitect Nel
Verschuuren was daarnaast jarenlang verantwoordelijk voor de inrichting
van luchthaven Schiphol. Toch heeft ze niet de sterstatus die sommige
architecten wél bezitten. “Daarvoor is ons werk niet zichtbaar genoeg.”
Naam: Nel Verschuuren
Geboortejaar: 1943
Bijzonderheden: volgde haar opleiding aan de
Academie voor Kunst en Vormgeving St. Joost in Breda. In 1965 ging ze
werken bij de bekende interieurarchitect Kho Liang Ie, met wie ze in 1968
(samen met Tinus van de Kerkhof) het bureau Kho Liang Ie Associates
oprichtte. Verschuuren ontving diverse prijzen voor haar werk; in 1986
kreeg ze de Mart Stamprijs, in 1998 de Piet Zwartprijs. Nel Verschuuren
had verder onder meer zitting in de Raad voor Cultuur, het Fonds voor
Beeldende Kunst Bouwkunst Vormgeving en het Amsterdams Fonds voor de
Kunst.
Over het sterrendom in de architectuur is
al veel gezegd. De groten der aarde zouden ‘publiciteitsgeil’ zijn, ze
zouden de gebruikers van hun ontwerpen veronachtzamen én ze zouden zich zo
nu en dan meer als kunstenaar dan als architect gedragen. Nel Verschuuren
haalt er haar schouders over op. De Amsterdamse interieurarchitect geeft
aan blij te zijn dat ze zelf niet voortdurend in de schijnwerpers staat,
ondanks de vele opmerkelijke projecten waaraan ze in de loop der jaren
haar medewerking heeft verleend. “Ik heb een grote hekel aan het geven van
interviews”, zegt ze onomwonden. Toch heeft Verschuuren genoeg te
vertellen. In de bijna 40 jaar die ze werkzaam is als interieur-architect,
was Verschuuren verantwoordelijk voor diverse opmerkelijke projecten. Het
inrichten van het door Abe Bonnema ontworpen pand van verzekeraar
Interpolis in Tilburg was hieronder niet het minste.

Nel Verschuuren: "De maatschappij is voortdurend in ontwikkeling. Dat
betekent dat ook de inrichting van het kantoor steeds kritischer moet
worden bekeken." (Foto: Martin Hogeboom)
Succesverhaal
“Het Interpolis-project was ontzettend leuk om te doen”, steekt
Verschuuren van wal. “Het was vooral zo boeiend omdat werd gekozen voor
een volledig nieuw inrichtingsconcept. Er bestond geen enkel
referentiekader, waardoor het erg spannend was om het interieur vorm te
geven.” In het Interpolis-pand werd voor de eerste maal in ons land een
inrichtingsvorm toegepast waarbij werknemers niet meer beschikken over een
eigen vaste werkplek. De zogenaamde ‘flexibilisering van de werkomgeving’,
die sindsdien een hoge vlucht heeft genomen, kreeg in Tilburg zijn
primeur. “Dat was overigens bij de aanvang van het project nog volstrekt
niet duidelijk”, doet Verschuuren de genealogie van het Tilburgse
succesverhaal uit de doeken. “Toen ik werd ingeschakeld, was het de
bedoeling een gewoon cellenkantoor te realiseren. In eerste instantie
hield ik mij alleen bezig met de vormgeving van de representatieve
ruimtes, zoals de entree, de receptie en de vergaderzalen.”
Tijdens het project kwam de opdrachtgever
in contact met inrichtingsconsultant Erik Veldhoen. Onder invloed van zijn
ideeën werd besloten de ‘nieuwe manier van werken’ te implementeren.
Verschuuren glimlacht: “In de nieuw ontstane situatie wilde ik aan de
invulling van de werkruimtes natuurlijk wél mijn medewerking verlenen.”
Hoe nieuw het Interpolis-project
halverwege de jaren negentig ook leek, Verschuuren ziet duidelijke
overeenkomsten met eerdere ontwikkelingen in het kantoorinterieur. “In de
jaren zeventig ben ik intensief bezig geweest met het fenomeen
‘kantoortuin’. Er zijn veel overeenkomsten tussen het flexibele kantoor
van Interpolis en de kantoortuin van toen: beide zijn ontstaan vanuit een
toenemende vraag naar openheid en communicatie in de werkomgeving.”
De kantoortuin is echter niet lang
populair gebleven. “Dat komt omdat het interieur in de kantoortuinen vaak
niet goed onderhouden werd”, zegt Verschuuren fel. “De maatschappij is
voortdurend in ontwikkeling. Dat betekent dat ook de inrichting van het
kantoor steeds kritisch moet worden bekeken. Omdat veel bedrijven de
inrichting van hun kantoortuin onveranderd lieten, kwam het concept in een
kwaad daglicht te staan. Op een gegeven moment werd ‘kantoortuin’ zelfs
een vies woord.”
“Ik ben blij dat de vraag naar openheid en
betere communicatie in de werkomgeving met het Interpolis-project opnieuw
werd opgepakt”, vervolgt Verschuuren. “Ik geloof dat we, in nauwe
samenwerking met Erik Veldhoen, die al het voorwerk deed, een goed concept
hebben neergezet dat zijn waarde inmiddels heeft bewezen.” In
tegenstelling tot de jaren zeventig-variant van het ‘communicatieve
kantoor’ werd de Interpolis-binnenruimte de laatste jaren wél voortdurend
aan de veranderende eisen aangepast. “Op een gegeven moment bleek het
noodzakelijk de kantoorruimte verder uit te breiden”, vertelt Verschuuren.
“Tijdens de voorgesprekken met de opdrachtgever en de
inrichtingsconsultant kwam het bedrijfsrestaurant ter discussie te staan.
Het idee ontstond om in plaats van een bedrijfsrestaurant een gebied te
realiseren waar consumeren, concentreren en communiceren door elkaar heen
lopen.”

Eén van de vele projecten waarbij Nel Verschuuren was betrokken:
Luchthaven Lagos in Nigeria. (Foto: Jan Versnel)
Plaza
Het resultaat van deze opmerkelijke ontwerpkeuze - het zogenaamde
Interpolis Plaza - kreeg wederom veel aandacht van de vakpers, niet in de
laatste plaats omdat voor de concrete invulling van het Plaza-concept een
aantal vooraanstaande kunstenaars en ontwerpers werd ingehuurd. “We
besloten de beschikbare 7.000 vierkante meter te verdelen in acht
verschillende gebieden”, legt Verschuuren uit. “Hierbij kwam ik echter
voor het probleem te staan dat ik dus acht gebieden verschillend moest
inrichten op basis van het zelfde programma van eisen. Dat is teveel voor
één ontwerper.” Verschuuren kwam op het idee verschillende vooraanstaande
ontwerpers in de arm te nemen, die elk één van de acht gebieden mochten
vormgeven. “Ik schakelde expres geen interieurarchitecten in, omdat dan
het gevaar bestond dat de verschillende ruimtes toch teveel op elkaar
zouden gaan lijken”, zegt Verschuuren. “Ik koos voor creatieve mensen uit
andere vakgebieden - ontwerpers als Marcel Wanders en Jurgen Bey en
kunstenaars als Joep van Lieshout. Hierdoor is een ontzettend pluriforme
inrichting ontstaan.”
Kon Verschuuren als verantwoordelijk
interieurarchitect wel voldoende invloed uitoefenen op het eindresultaat?
Verschuuren kijkt bedachtzaam. “Natuurlijk had ik invloed. In de eerste
plaats heb ik zélf de ontwerpers uitgekozen en hen een bepaald gebied
toegewezen. Ook maakte ik de basisplattegrond van het gehele gebied.
Binnen deze kaders én binnen de kaders van het programma van eisen konden
de ontwerpers vervolgens hun eigen gang gaan.” De Amsterdamse
interieurarchitect pauzeert kort. “De rol van de interieurarchitect
bestaat in élk project uit het coördineren van functionaliteit, techniek,
emotie en identiteit. Ook tijdens het Interpolis-project heb ik die
coördinerende rol goed kunnen vervullen.”
Voorwerk
“Het vormgeven van een interieur is altijd een complex geheel”,
filosofeert Verschuuren over de inhoudelijke kant van haar vak. “In een
interieur komt alles samen: het moet functioneel én aangenaam zijn. Mensen
moeten zich herkennen in de omgeving waar ze vertoeven. Daarom neem ik
altijd de tijd om de organisatie van mijn opdrachtgever goed te leren
kennen. Ik praat met mensen en kijk hoe ze functioneren. Pas op basis van
dit voorwerk is het mogelijk een goed ontwerp te maken, dat tegemoet komt
aan de behoeftes en verlangens van de gebruikers.”
Schiphol
Niet elk project is in dit opzicht even makkelijk. Eén van de meest
gecompliceerde opdrachten die Verschuuren uitvoerde, is zonder twijfel de
vormgeving van het interieur van de luchthaven Schiphol, waarvoor ze bijna
40 jaar (!) verantwoordelijk was. “Schiphol was gedurende die periode
voortdurend in beweging”, zegt Verschuuren. “Daarom had ik - samen met
architectenbureau Benthem Crouwel - een eigen kantoor op de luchthaven. Op
die manier konden we beter invulling geven aan ons werk: doordat we zelf
op de luchthaven werkten, waren we in staat beter tegemoet te komen aan de
eisen van die complexe omgeving.”
Verschuuren is vol lof over de
samenwerking met Benthem Crouwel. Ook in haar andere opdrachten verliep de
samenwerking met architecten doorgaans heel prettig. Van arrogantie bij
architecten ten opzichte van de interieurarchitect heeft Verschuuren naar
eigen zeggen nooit last gehad. “Ik heb gedurende mijn loopbaan het geluk
gehad dat ik altijd direct door de opdrachtgever werd ingeschakeld”,
vertelt ze. “Dat betekent dat je op voet van gelijkheid het project
binnenkomt; de opdrachtgever beschouwt al zijn professionele adviseurs als
gelijkwaardig. Het is misschien anders wanneer je door de architect wordt
ingehuurd. Dan zou er vaak wél sprake kunnen zijn van een hiërarchische
verhouding.”
Na een korte pauze: “Natuurlijk is in elk
ontwerpproces sprake van een zekere hiërarchie, maar deze moet ontstaan op
basis van de persoonlijkheid en de inbreng van de deelnemers, niet op
basis van de uitstraling van de beroepsgroep waartoe de deelnemers
behoren.”
De uitstraling van de beroepsgroep van
architecten is ontegenzeggelijk groter dan die van de
interieurarchitecten. De laatste decennia heeft een aantal toparchitecten
zich nadrukkelijk in de kijker gespeeld. Interieurarchitecten opereren
daarentegen meestal in de anonimiteit. Verschuuren heeft wel een idee hoe
dat komt: “Het werk van interieurarchitecten is veel minder toegankelijk;
een gebouw kan doorgaans maar door een beperkt aantal mensen worden
betreden. Hierdoor is ons werk veel minder zichtbaar dan het werk van
architecten.” De enkele interieurarchitecten die wél bekendheid genieten -
Verschuuren noemt Philippe Starck - danken hun bekendheid veelal niet
zozeer aan hun interieurvormgeving als wel aan hun meubelontwerpen. “Dat
geldt ook voor mijzelf”, zegt Verschuuren. “Ik werd pas enigszins bekend
toen ik de ‘Lagos’ ontwierp voor meubelfabrikant Artifort. Een concreet
object is voor het grote publiek makkelijker herkenbaar dan een sfeervolle
en functioneel ingerichte ruimte.”
Vrijer
Verschuuren haast zich te benadrukken dat ze in het geheel niet streeft
naar bekendheid. “Ik vind het vooral belangrijk dat mensen op een goede
manier kunnen functioneren in mijn ontwerpen”, zegt Verschuuren.
“‘Functionaliteit’ is daarom de grote constante in mijn werk. Ik heb er
een vreselijke hekel aan wanneer je ergens last van hebt; een ontwerp moet
deugen.” Overigens is er wel degelijk een ontwikkeling te bespeuren in het
werk van Verschuuren. Ze is in de loop der jaren ‘minder streng in de
leer’ geworden. “Ik ben inderdaad vrijer geworden in het toepassen van
bijvoorbeeld kleuren, vormen en materialen”, zegt Verschuuren hierover.
“Toch mogen deze keuzes nooit de functionaliteit van een interieur in de
weg staan. Een interieurarchitect moet zich altijd richten op de
functionaliteit van een ruimte. Misschien ligt hier ook wel een
belangrijke reden voor het feit dat er weinig sterren zijn in mijn
vakgebied: interieurarchitecten zijn veel bescheidener dan architecten en
plaatsen de functionaliteit van de ruimte op de eerste plaats.” Een
glimlach breekt door: “Ik wil ook helemaal geen ster zijn.”
Henk-Jan Hoekjen
Nadere
informatie? Vul code i045 (editie 3 - 2005) in via onze
responsservice
|