|
Erik
Veldhoen: 'Werken wordt steeds leuker'
Erik
Veldhoen heeft geen introductie meer nodig in de inrichtingssector. Met
zijn boek Kantoren bestaan niet meer en zijn bemoeienis met het befaamde
Interpolis-project vestigde de Maastrichtse consultant definitief zijn
naam in de inrichtingswereld. De ideeën die halverwege de jaren negentig ventileerde,
hebben volgens Veldhoen momenteel nog niets aan geldigheid ingeboet:
"Het traditionele kantoor gaat verdwijnen."
Hoge
bomen vangen veel wind. Naast de bewondering die Veldhoen de afgelopen
jaren oogstte, viel de consultant ook de nodige kritiek ten deel. Zo
zouden de door Veldhoen toegepaste inrichtingsconcepten maar in een klein
deel van de kantoren daadwerkelijk toepasbaar zijn. “Dat was inderdaad
de kritiek die ik de afgelopen jaren kreeg”, zegt Veldhoen, gezeten in
de København-spreekkamer van zijn innovatief ingerichte Maastrichtse
bedrijfspand. “Enkele hoogleraren waren van mening dat de door mij
geschetste ontwikkeling slechts voor 30 procent van de markt relevant zou
zijn. Ik bestrijd dat: alle kantoren moeten vroeg of laat op de schop.
Niemand kan de dans ontspringen.”
In 1995 publiceerde u het boek ‘Kantoren bestaan niet meer’.
Kantoren bestaan nog steeds.

Veldhoen:
"Ik ben er nog steeds van overtuigd dat het papier op termijn uit de
kantooromgeving zal verdwijnen."
Veldhoen
begint te lachen. “Ik koos de prikkelende titel om aan te geven dat de
invulling van het kantoor zoals we dat tot op dat moment kenden zijn
langste tijd had gehad. Door de verregaande digitalisering die vanaf de
jaren negentig in gang gezet is, verandert de manier waarop we met
informatie omgaan ingrijpend. Dit betekent dat ook de manier van werken in
het kantoor
verandert.”
Lang niet iedereen is overtuigd van uw redenering. Op het
Interpolis-project heeft u ook kritiek gekregen. De recente invulling van
het Plaza-concept zou daarbij een hinderlijk vertoon van decadentie zijn.
“Onzin”, reageert Veldhoen fel. “Aan de invulling van het
Interpolis-pand heeft de opdrachtgever veel plezier beleefd. De
ingrijpende verandering van de omgeving heeft geleid tot een totaal andere
invulling van de werkzaamheden. De productiviteit van de medewerkers is
gestegen en de facilitaire kosten zijn met maar liefst 40 procent gedaald.
Bij een daling van de kosten is het echt flauwekul om over decadentie te
spreken.” Het nieuwste onderdeel van het door wijlen Abe Bonnema
ontworpen Interpolis-pand is het zogenaamde Plaza, een verdieping waar een
groot aantal door vooraanstaande designers en kunstenaars ontworpen
‘clubhuizen’ zijn ondergebracht. “Met het Plaza-concept hebben we
geprobeerd de mensen over de grenzen van hun eigen afdeling te laten
kijken”, zegt Veldhoen hierover. “In het ‘oude’ concept had elke
afdeling de beschikking over een eigen verdieping. Om het
‘afdelingsdenken’ te doorbreken hebben we er in het nieuwe concept
voor gekozen een deel van het gebouw in te richten voor alle
medewerkers.”
Het verwijt dat de nieuwe Interpolis-vleugel een zekere mate van
decadentie tentoonspreidt heeft natuurlijk vooral te maken met de
uitbundigheid waarmee verschillende designers een ‘eigen’ clubhuis
mochten ontwerpen.
“Het was mogelijk geweest om al de clubhuizen op dezelfde manier vorm te
geven”, zegt Veldhoen, ondertussen genietend van een lichte lunch (“U
heeft er toch geen bezwaar tegen als ik wat eet?”). “Dat zou echter
een uiterst saaie verdieping hebben opgeleverd. Door voor de invulling van
deze clubhuizen een aantal bekende ontwerpers uit te nodigen, is het
gelukt om de smaak en het gevoel van de medewerkers te faciliteren. Op
deze manier is het voor de medewerkers echt een feest om in de nieuwe
vleugel te werken.”
Is het moeilijk om dergelijke totaal nieuwe inrichtingsconcepten ‘aan
de man te brengen’?
“We moeten inderdaad vaak vechten om onze visie geaccepteerd te
krijgen”, beaamt Veldhoen. “Bij Interpolis speelde dit natuurlijk
niet, omdat de nieuwe manier van denken daar al enkele jaren gehanteerd
wordt. Bij andere opdrachtgevers is het echter wel eens moeilijk om
medewerkers meteen te overtuigen van de noodzaak van een totale
herinrichting.” De reacties verlopen volgens Veldhoen meestal ongeveer
hetzelfde: in het beginstadium heerst er veelal argwaan en boosheid onder
de medewerkers van de opdrachtgevers. “Wanneer we onze ontwerpkeuzes
nader toelichten en beargumenteren, slaat de boosheid om in een
jubelstemming. We hebben momenteel zo’n tachtig verschillende projecten
gedaan die we allemaal naar volle tevredenheid hebben kunnen afronden.
Medewerkers merken gedurende een project dat de ingrijpende veranderingen
in de werkomgeving in hun eigen voordeel zijn. Werken wordt dankzij de
nieuwe ontwikkelingen steeds leuker.”
Welke veranderingen staan ons in uw optiek de komende jaren nog te
wachten?
“Meerdere”, zegt Veldhoen resoluut. “Door het toenemende belang van
de virtuele ruimte kun je de vraag stellen hoe afhankelijk we eigenlijk
nog zijn van de plaats waar we onze werkzaamheden uitvoeren. Middels
netmeetings en videoconferencing is het mogelijk overleg te voeren met
collega’s zonder fysiek op dezelfde plek te zijn. Dit werkt in de
praktijk prima: binnen mijn eigen bureau werken we al jaren op deze
manier.” Wie veronderstelt dat Veldhoen in het verlengde van deze
ontwikkeling pleit voor thuiswerken, komt bedrogen uit. De door sommigen
als flexwerk-goeroe beschouwde consultant is niet erg gecharmeerd van dit
fenomeen: “De mens is een kuddedier en wil graag in een min of meer
sociale omgeving zijn werkzaamheden uitvoeren”, weet Veldhoen. “Daarom
pleit ik voor de opbouw van een kantoornetwerk dicht bij de mensen thuis.
Waarom nu niet op elke Vinex-locatie een gebouw realiseren waar mensen
kunnen inloggen en hun werkzaamheden uitvoeren? Door het clusteren van
faciliteiten is het mogelijk de samenleving harmonieuzer te maken.”
Veldhoen legt zijn lunchbroodje neer en vervolgt: “We staan voor een
ingrijpende reorganisatie van de fysieke omgeving in ons land. De oude
infrastructuur voldoet niet meer. Iedere ochtend staat half Nederland in
de file. Daar moet een einde aan komen en dat lukt door werkzaamheden op
andere plekken te organiseren.”
Enige jaren geleden voorspelde u het ‘paperless office’. Bent u wat
dit betreft van uw geloof gevallen?
“Integendeel”, zegt Veldhoen. “Ik ben er nog steeds van overtuigd
dat het papier op termijn uit de kantooromgeving zal verdwijnen. In mijn
eigen kantoor heeft papier absoluut geen status meer. De post die
binnenkomt wordt meteen gedigitaliseerd en ook alle interne mededelingen
worden digitaal verzonden. Het belangrijkste papier in deze omgeving zijn
de servetten die we bij de lunch gebruiken.” Ook bij andere organisaties
is reeds een belangrijke stap gezet in de richting van een geheel
papierloze situatie. Veldhoen refereert bijvoorbeeld aan de Kamer van
Koophandel (KvK) Rotterdam. “Dat was een enorme papierwinkel die we in
anderhalf jaar tijd volledig digitaal hebben gekregen”, zegt Veldhoen.
“Dit project bewijst dat het in elke organisatie in principe mogelijk is
om papierloos te werken.”
Virtuele ruimte, paperless office… Wordt onze afhankelijkheid van de
moderne technologie zo langzamerhand eigenlijk niet onaanvaardbaar groot?
Veldhoen hoeft niet lang na te denken. “Natuurlijk neemt die
afhankelijkheid toe, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Sinds de
invoering van elektriciteit zijn we ook afhankelijk van de stroomtoevoer,
maar deze afhankelijkheid is toch geen argument om dan maar geen
elektriciteit meer te gebruiken? Bedrijven die weigeren zich afhankelijk
te maken van digitale technologie doen binnenkort niet meer mee. Verzet
tegen innovatie is werkelijk verspilde energie. Het is veel slimmer om te
onderzoeken hoe je optimaal gebruik kunt maken van de nieuwste
ontwikkelingen.”
Gebeurt dat in ons land al voldoende?
“Er is in Nederland nog veel te doen. Tal van bedrijven werken nog
vanuit kantoorgebouwen die de nieuwe vormen van werken op geen enkele
wijze meer faciliteren. Toch hebben we in ons land niet te klagen. Op het
gebied van innovatieve kantoorinrichting is Nederland de absolute top.”
Henk-Jan Hoekjen
|