|
Levendige discussie tijdens praktijkdag van
The Office Opleidingen
Bestaat kantoorinnovatie wel?
Ben je als redacteur van een vakblad op
het gebied van kantoor- en projectinrichting druk bezig met het invullen
van het eerstvolgende thema ‘Nieuwe kantoorvormen: Gij zult innoveren’,
krijg je een uitnodiging op je bureau voor het mini-symposium
‘Kantoorinnovatie heeft nooit bestaan!’. Eenmaal van de eerste schrik
bekomen, toch maar in de auto gestapt.
Het mini-symposium werd medio september
gehouden in Ede als onderdeel van de praktijkdag ‘Inrichting & Huisvesting
Kantoorhoudende Organisaties Anno 2005’. Deze dag was georganiseerd door
The Office Opleidingen, dat hiermee de aftrap gaf voor het nieuwe
cursusseizoen. De boude stelling ‘Kantoorinnovatie heeft nooit bestaan!’
werd ten overstaan van de ongeveer zestig deelnemers aan de dag opgeworpen
en vol vuur verdedigd door Rob Lommerse, docent van The Office Opleidingen
en partner van Fourman & Busac. “Kantoorinnovatie gaat eigenlijk nergens
over”, was één van de eerste opmerkingen van Lommerse. “Ik denk dat het
begrip kantoorinnovatie een truc is; een commercieel verhaal. Het is niks;
allemaal lucht.”
En daarmee was de toon van zijn betoog gezet.
Lommerse liep eerst verschillende definities van (kantoor-)innovatie
langs, van Van Dale tot en met die van de Europese Unie in het
Lissabon-akkoord. Maar die gaven hem geen van alle uitsluitsel. Ook het
nalopen van de verschillende kantoorelementen duidt wat Lommerse betreft
niet op kantoorinnovatie. “We zien in kantoren nog steeds tafels, stoelen,
kasten en verschillende kamers. Ja, de komst van de platte beeldschermen
heeft de bureaus wat minder diep gemaakt, maar dat noem ik geen
innovatie.”

Kantoorinnovatie of niet meer dan een
variatie op een bekend thema?
Flexkantoren
Van termen als flexibele gebouwen, flexkantoren en flexwerkplekken moet
Lommerse al helemaal niks hebben. “Dat bestaat allemaal niet. Werkplekken
zijn niet flexibel. ‘Flexplek’ is een verschrikkelijk woord. Zo’n kreet
leidt tot opstand en roept weerstand op bij medewerkers. Zo van, ‘o jee,
ik ga mijn eigen werkplek verliezen’. Het klopt dat op een bepaalde
werkplek verschillende werkzaamheden kunnen worden verricht en dat in een
ruimte meerdere activiteiten kunnen plaatsvinden, maar flexibel is slechts
degene die er gebruik van maakt.” Dit alles leidt Lommerse tot de
conclusie dat kantoorinnovatie niet bestaat. “Mijn heilige overtuiging is
dat het proces op kantoor innoveert en dat technologie innoveert. Gedrag
innoveert eveneens en omdat hierbij mensen zijn betrokken, is dat tevens
de zwakste schakel in het geheel.”
In de paneldiscussie die na zijn betoog
volgde, kreeg Lommerse aardig wat bijval. Bijvoorbeeld van Gerry Hofkamp,
huisvestingsadviseur bij de Rijksgebouwendienst. “Ik praat zelf nooit meer
over kantoorinnovatie”, aldus Hofkamp. “Het zijn al 10 jaar lang alleen
maar variaties op hetzelfde thema. Wat ik zie aan nieuwe kantoorconcepten
is niet echt schokkend. Ook de Rijksgebouwendienst praat in die zin niet
meer echt over kantoorinnovatie.” Wat volgens Hofkamp wel nieuw is, is dat
huisvesting veel bewuster wordt ingezet als managementtool. “Daarbij stelt
het management zich de vraag hoe de huisvesting zijn organisatieproces kan
ondersteunen.” Ook Henk Bijma, national accountmanager bij Gispen,
onderschreef de stelling van Lommerse. “De slogan ‘Kantoorinnovatie
bestaat niet’ is mij uit het hart gegrepen. Ik praat liever over
ontwikkelingen dan over innovatie. Over maatschappelijke, technologische,
sociologische en economische ontwikkelingen. Van daaruit zie je de
noodzaak ontstaan om ook op kantoor dingen te veranderen.”
‘Het zijn al 10 jaar lang alleen
maar variaties op hetzelfde thema’
Debat
Even dreigde de discussie te verworden tot een
debat over de kantoorstoelenrichtlijn NPR 1813, toen Lommerse een
knuppeltje in het hoenderhok gooide: “Als iemand mij kan vertellen wat de
laatste 10 jaar aan bureaustoelen is geïnnoveerd, zou ik dat graag willen
horen.” Henk Bijma van Gispen reageerde als eerste. Hij vond dat er wel
degelijk innovatie op stoelengebied heeft plaatsgevonden: “Het is een
duidelijke ontwikkeling – en dat noem ik innovatief – dat er steeds meer
stoelen komen waarin je niet fout kunt gaan zitten. Vroeger hadden we de
zitmachines, nu zie je steeds meer stoelen met zo min mogelijk knoppen
voor het instellen.”
De opmerking van Lommerse verleidde echter een
van de aanwezigen in de zaal tot de opmerking dat er aan de aanbodzijde
(de stoelenproducenten) inderdaad niet veel is geïnnoveerd, maar aan
vraagzijde wel, namelijk door eisen in de NPR 1813, waarop de producenten
wel moesten inspelen. Voordat de NPR 1813-discussie echter oplaaide, wierp
John Vroon van de The Office Opleidingen de vraag op in hoeverre wetten,
regels en normen kantoorinnovatie blokkeren. Gerry Hofkamp: “Normering
blokkeert niet de verbetering, maar wel de echte innovaties. Normen
beletten je namelijk dat je vanuit een totaal andere optiek naar iets gaat
kijken. Neem de stoelen. De opvatting is dat de stoel alles moet
faciliteren. Maar daar tegenover kun je de opvatting zetten dat je het
mensen juist moeilijk moet maken, zodat ze ook eens veranderen.”
Panellid Erick Wuestman van Erick Office
Concepts in Harfsen, ook een docent van The Office Opleidingen, vindt dat
regels innovatie vaak blokkeren. “Overheidsopdrachten zijn vaak zodanig
afgetimmerd, dat het heel moeilijk is om daar nog ‘een feestje’ van te
maken. De waarheden liggen daarin zo helder, dat het niet meer leuk is
daarmee te spelen. Dat heeft ook met indekken te maken. Een opdrachtgever
of manager die bij de inrichting van een kantoor precies handelt volgens
het boekje, kan bij een mislukking later nooit het verwijt krijgen dat dat
zijn schuld is. Ik zou het liever anders zien. Laat de opdrachtgever maar
zeggen: ‘dit is het doel en kom maar met ideeën hoe je dat wilt
bereiken’.”
Belang gebruikers
Uiteindelijk kwamen ook de gebruikers van de kantoren in de discussie nog
aan bod. Namelijk toen de vraag aan de orde kwam, wie eigenlijk bepaalt
hoe een kantoor wordt ingericht. Gerry Hofkamp: “Het belang van gebruikers
blijft vaak onderbelicht. Alle partijen die bij de inrichting van kantoren
zijn betrokken, mogen het zich aantrekken dat ze concepten hebben
afgeleverd waarin mensen niet prettig werken. Maar door de mislukte
projecten zijn de gebruikers wel terrein aan het terugwinnen.” Noemde
Lommerse de gebruikers de ‘zwakste schakel’, Hofkamp bestempelde hen als
het sterkste fundament. “Heb je tien werplekken voor tien mensen en er
komt een elfde persoon bij, dan lossen ze het onderling zelf op. Maar als
de manager zegt ‘we gaan flexwerken’, dan ontstaat er een spanningsveld en
wordt het een stuk lastiger.” Lommerse had in dat verband nog een aardige
uitsmijter: “We hebben tegenwoordig de workbench, die zo populair is. Is
dat innovatie? Welnee, het is een uitvloeisel van menselijk gedrag. Ik
werkte in 1976 al aan een workbench. Namelijk toen het bedrijf waarvoor ik
werkte een acquisitie pleegde en ineens meer personeel moest huisvesten.
Met vier man hebben we toen de vergaderzaal met de vergadertafel geclaimd.
Daar hebben we prima aan gewerkt, totdat we naar een groter kantoor
verhuisden en de zaak werd teruggedraaid.”
Eric Weustink
Nadere
informatie? Vul code i186 (editie 5 - 2005) in via onze
responsservice
|