|
Mens
heeft reptielen- en zoogdierenbrein
Emotionele
ergonomie: ‘Wow, ik wil hier wel werken’
Vertrouwen,
harmonie en aandacht in de projectinrichting. Ofwel effectief omgaan
tussen werkgever en gebruiker om zo uiteindelijk tot de beste oplossing te
komen. Dat is volgens Erick Wuestman, onder andere Senior Office
Consultant van FMH uit Amersfoort, het kernbegrip dat een creatieve
werkomgeving bepaalt. “Want alleen maar simpel achter een beeldscherm
zitten, geeft ook zo’n raar beeld van de wereld. Je moet als werkende
flexibel zijn en dus ook flexibele werkzaamheden verrichten.”
Het zijn dus niet de stoeltjes en de tafels in de eerste plaats, maar het
zijn de mensen zelf die het moeten doen, zo begint Erick Wuestman op een
door Ercophon georganiseerde lezing in Rotterdam te vertellen over
optimaliseren van de projectinrichting. “Het lichaam kent beperkingen.
Het gaat er dan ook om dat je creatief bent en creërend vermogen, maar
ook intuïtie hebt.” Wuestman haalt in zijn lezing wijlen psycholoog
Piet Vroon aan om de manier van het uiteindelijk verwezenlijken van de
perfecte projectinrichting kracht bij te zetten. “De mens heeft een
‘reptielenbrein’, ‘ik wil overleven’ zeg maar. Ook zijn we in het
bezit van een ‘zoogdierenbrein’. Dit
zorgt ervoor dat de mens de mogelijkheid heeft sociaal gedrag te vertonen.
Emoties, gevoelens, non-verbale communicatie en lichaamstaal komen hierbij
aan de orde”, aldus Wuestman. “Neocortex als laatste, zorgt voor het
menselijk verstand, het intellect om bijvoorbeeld samen te werken. Hoe
overleef je dus het beste? Een langetermijn-strategie ontwikkelen,
kennismanagement ontwikkelen. Ook in een organisatie. Is een vergaderzaal
de optimale ontmoetingsplek? Wellicht niet altijd. Het gaat om de
combinatie van Vroons drie kernbegrippen. Het draait om emotionele
ergonomie, de ‘wow-beleving’. ‘Wow, ik wil hier wel werken’, dát
moet je voelen.”

Erick
Wuestman verhaalde op een Ercophon-seminar over emotionele ergonomie, voor
groot gedeelte veroorzaakt door het zogeheten 'zoogdierenbrein'.
Harmonie
Wat toont Wuestman hiermee aan? Dat de kantooromgeving onherroepelijk
invloed op de prestaties van werknemers heeft. En dat harmonie tussen
werknemer, werkgever en inrichter hierbij noodzakelijk - zelfs een
sleutelbegrip - is. “Analyseer een groep mensen en maak een onderscheid
tussen waar een groepje ondervraagden de orders, instructies en
werkzaamheden altijd van de baas voorgeschoteld krijgt en de andere club
het werk zelf mag indelen op elke gewenste plek. Ik weet de uitkomst wie
zich gelukkiger voelt.” Het lijkt logisch, maar deze wijsheid wordt toch
nog te weinig toegepast, weet de spreker. Wuestman: “Laat de werknemer
daarom eens wat vaker zelf kiezen hoe en waar hij zijn werk indeelt en
uitvoert, in plaats van dit als baas steeds maar letterlijk voor te
schrijven. De emotionele ergonomie stijgt dan een stuk en dit heeft niet
direct met inrichting te maken. Een goed gevoel opwekken, op de plaats
waar je het grootste gedeelte van je leven vertoeft, het werk.
Stimulerende werkomgevingen worden daarom steeds meer van strategisch
belang voor organisaties.”
Naast het eerder genoemde trio menselijke driften en breinen is uiteraard
de inrichting van kantoren van belang om de perfecte werkomgeving te creëren,
meldt Erick Wuestman, Senior Office Consultant van FMH in Amersfoort. Neem
bijvoorbeeld de verlichting. Volgens Wuestman is daar negen van de tien
keer wat mis mee. “Verlichting is een belangrijk onderdeel om emotionele
ergonomie te bewerkstelligen. Maar in bijna elke organisatie schijnt het
licht rechtstreeks vanuit het plafond naar beneden. Met als gevolg dat het
op de grond donkerder is dan in ‘de lucht’. Dan doe je als onderneming
iets fout, want je creëert de situatie die zich ’s avonds bij het
schijnsel van de maan voordoet. De lucht donker, de straat een beetje
verlicht. Stel, ik ga naar mijn werk, ‘s ochtends vroeg is het inmiddels
licht, ik loop mijn kantoor binnen en de situatie wordt weer omgedraaid;
vind je het gek dat ik dan meteen weer ga gapen en het liefst de warme
dekens weer op wil zoeken?”
Dennis Dekker
|